Mijmeringen


Paul was een markante, uitgesproken persoonlijkheid, met een groot talent voor vriendschap.

Heel veel mensen vertellen nu, na zijn dood, op bepaalde plekken in de stad (een brug, een fietspad, een concert) steeds weer aan een bepaalde herinnering met Paul te moeten denken. Ook veel mensen dromen over Paul, of koesteren een dierbare herinnering aan de eerste ontmoeting met hem.

Hierbij is iedereen uitgenodigd, deze herinneringen, mijmeringen, dromen op te schrijven. Zo houden we de herinnering aan Paul levend.

Margo Rens

(Stuur uw stuk aan Margo Rens, zij zorgt voor plaatsing op deze site.)

Toespraken   Herinneringen  CD Presentatie   


Toespraken gehouden op de begrafenis van Paul, 26 mei 2003 in de IJsbreker, Amsterdam



Bèr Deuss, 26 mei 2003

Voor Paul Termos

Laat ik een paar woorden zeggen over Paul, voor Paul, die daar voor me ligt.
Paul , die mijn buurman was. Paul die mijn componist was.
Mijn buurman zal ik missen. Ik heb hem al gemist als ik mijn fiets neerzette in mijn stalling, die ook de zijne was. Dat praatje 's ochtends vroeg als ik ging en hij kwam van Margo of 's middags als ik kwam en hij ging naar Margo. Met de gewone uitwisseling van trivialiteiten van mensen over hun alledaagse dingen in hun wereld, van de regen en de kou maar ook zijn nieuwste muziek of een advies van een commissie in de kunsten, dat ons beiden belangrijk leek. Of over de pensioenvoorziening die hij zou gaan regelen. Of Paul die me voorbijfietste op de kade van het Entrepotdok, met zijn blik gericht op iets anders dan de wereld - gericht op zijn wereld - en dan niemand, ook mij niet, herkende.

Die Paul, die mis ik.

Paul, je muziek leerde ik kennen toen onze redactie klaagde over de onleesbaarheid van zijn met dunne potloodstreepjes geschreven noten, die niet voldeden aan onze minimumeisen. Dat betrof toen 1993 (*sic 1991), je stuk voor Loos en het blokfluitstuk, getiteld Bezeten Leegte. Ze zijn natuurlijk gepubliceerd: niet de organisatie bepaalt de regels maar de kunstenaar. Maar Paul, die geringe druk die jij uitoefende op je potlood, die terloopsheid, die achteloosheid kenmerkte je wel. Je maakte je muziek zonder die enorme nadruk en zonder die enorme behoefte jezelf centraal te stellen. Je wilde je ding doen, daarin was je serieus: jij vond het de moeite waard, en die het met je de moeite waard vonden moesten maar komen luisteren, en wie niet, dan maar niet, even goede vrienden. Voor beiden was plaats in je geest: je eigen muziek en die andere muziek, die je hoorde, beoordeelde met waar mogelijk echte waardering.

Die Paul, die missen we allemaal.

Een groot monument om je te blijven herinneren is niet nodig. Van grootsheid was je niet bezeten; voor leegte was je te groot.

Paul je blijft bij me, bij ons vanwege die kleine persoonlijke herinneringen, en daarbovenop is er je muziek die we kunnen koesteren. Zo blijf je bij ons.
Het ga je goed Paul, aan gene zijde van het leven...


Luc Houtkamp, 26 mei 2003

Op een moment als dit, waarop we afscheid nemen van Paul, denk je al gauw terug aan de eerste keer dat je iemand hebt ontmoet.

Ik had Paul al eens zien optreden, maar de keer dat we met elkaar kennis maakten moet zo'n 25 jaar geleden geweest zijn. Het was is de pauze van een concert in het Haagse Kijkhuis dat ik had georganiseerd voor een kwartet van Peter Cusack. Het bestond naast Paul en Peter uit Guus Janssen en Paul Lytton. In de pauze kwam Paul naar me toe en we raakten al heel snel in een druk gesprek verwikkeld. Eerst over muziek, maar al heel snel over de meest uiteenlopende onderwerpen.

Ik was in eerste instantie enigszins overweldigd door deze aimabele babbelkous. Maar al snel merkte ik dat Paul ook heel goed kon luisteren en razend snel inspeelde op de dingen die ik terug zei. Er ontwikkkelde zich tussen ons een dialoog waarvan ik het gevoel had dat ze ons beiden opzweepte tot grote opwinding.En het gekke was: soms leek het op z'n moment alsof Paul dan plotseling even halt hield. Er viel een stilte, die niet echt onconfortabel aanvoelde, maar wel de indruk gaf dat hij een moment van bezinning inlaste. Alsof hij zeggen wilde: ho! het moet nu ook weer niet TE gek worden!

Waarover hadden we het die avond? Paul vertelde me dat hij tot hij op het Conservatorium in Amsterdam ging studeren altijd in Den Haag had gewoond. Het bleek dat onze levens lange tijd parallel hadden gelopen, zonder dat we dat van elkaar wisten. Net als ik ging hij met z'n zakgeld regelmatig langs bij platenzaak Hees & Co, in de Prinsenstraat. Daar hadden ze de grootste collectie moderne jazz, al die Impulse klaphoezen van Coltrane en Archie Shepp. En een speciale bak met ESP platen. Van obscure namen als Giuseppi Logan, Byron Allen en Marzette Watts. Daar hadden we allebei regelmaztig in zitten graaien, met veel te weinig geld op zak om echt alles te kopen wat we wilden hebben.
We herinnerden ons ook die mooie blonde vrouw die er werkte. Ze zal niet veel meer dan een jaar of 5 ouder zijn geweest, maar ze voelde als een onbereikbaar goddelijk wezen, daar in dat paradijs met al die mooie jazzplaten. We bleken allebei heimelijk een beetje verliefd op haar geweest te zijn.
Er overviel me een zeker gevoel van spijt. Hoe anders zou die tijd voor me geweest zijn als ik een vriendje, een kameraad zou hebben gehad, met wie ik m'n exentrieke muzieksmaak had kunnen delen?

Ik heb Paul sinds die keer nog vele malen meegemaakt, in alle mogelijke situaties. Er was steeds een vanzelfsprekend gevoel van verbondenheid en vriendschap. Maar tegelijkertijd ontbrak de directe noodzaak om veel intensiever met elkaar om te gaan. Paul had z'n scène in Amsterdam en ik in Den Haag. En, och, er was toch nog tijd genoeg in het leven...

Dat gevoel blijft bij me hangen. Dat er rond Paul en z'n werk eigenlijk een beetje de sfeer was van: Paul, die is er altijd nog wel, met z'n gekke, stroeve composities, en z'n wat bokkige saxofoonspel.
Paul was niet iemand die grote prijzen in de wacht sleepte, of waar festivals en thema-avonden aan gewijd werden. Misschien lag dat ook een beetje aan z'n karakter. In mijn ogen was Paul altijd in de eerste plaats iemand die heel erg van muziek hield, en het componeren en musiseren kwam daar als vanzelfsprekend uit voort. Hij kon net zo goed genieten van een goed muzikaal idee van iemand anders, als van die van hemzelf.
Paul was niet iemand die snel de spotlight op zichzelf plaatste. Dat kwam niet voort uit valse bescheidenheid, maar uit oprechte interesse in de wereld om hem heen, die een voedingsbodem bleken te zijn voor alles wat hij deed.

Paul's oeuvre is volstrekt origineel en eigenzinnig. Het is tekenend dat zijn muzikale invloed op andere componisten en musici zo klein is gebleven. Net als de grootheid van Thelonius Monk was zijn muziek eenvoudigweg veel te persoonlijk om door anderen te worden nagevolgd. Ik hoop dat we nog vele jaren kunnen genieten van de muziek die Paul heeft gespeeld en gecomponeerd.


Maarten Altena, Amsterdam, 21 mei 2003

Paul

Het zal zo'n kleine 25 jaar geleden zijn dat Paul en ik elkaar voor het eerst ontmoetten.

Een lange, wat bleke man in witte regenjas (Amerikaans van snit) met een altsaxkoffer, een blik tussen dromerig en nieuwsgierig, de mond gedurende het niet-praten een beetje krullend brutaal. Het was in café Frascati. Ik wilde een kwartet beginnen en Paul zou gaan meespelen. Het begin van een langdurige band.

Vanaf het moment dat Paul lid werd van dat eerste kwartet was hij eigenlijk al de componist die hij altijd zou blijven: de componist van het sublieme, hilarische motief, of zoals hij het zelf noemde, het object, met de muzikale neerslag daarvan. Hij was in staat met beproefd maar eenvoudig materiaal heel veel in gang te zetten.

Herhaling was belangrijk, vooral het juiste aantal keren dat je zoiets deed. Daarmee werd het soortelijk gewicht aan bezwering en inhoud gedefinieerd.

Paul was net afgestudeerd bij Ton de Leeuw en was een kleurrijk improvisator op de eerder genoemde altsax uit die koffer- met favoriete mondstukken en vloeitjes en al. Voor zover mij bekend zou zijn latere liefde voor sommige uiterst gemaniëreerde barokmuziek nog manifest moeten worden. Ongerijmd als je z'n rauwe improvisaties daarnaast legt, maar logisch verenigbaar met het gevoel voor hyper-stilisme, ja zelfs een niet-ijdele hang naar pose zoals je die op sommige schilderijen van David Hockney kunt aantreffen. Paul luisterde naar van alles: Varèse, Debussy en Webern, naar Tristano, Monk en Paul Bley en een hele reeks blazende jazzmusici, waaronder enkele dissidente 'westcoasters' met bleek- maagdelijke toon, maar ook naar Soulmuziek. Erik Satie was een van zijn grote helden, en zou dat blijven.

En er was zijn liefde voor goed vormgegeven platenhoezen. Het hoorde bij het leven om een zekere stijl in alles te koesteren. Een goede Blue Note-hoes? Dan ook een bepaald model overhemd - en had die witte regenjas daar niet ook iets mee te maken?

Paul schreef een aantal 'schone', heldere stukken voor dat eerste kwartet (dat overigens zoals gebruikelijk na een aantal jaren van samenstelling veranderde), die vaak werden gespeeld op heel veel plekken in de wereld. Paul was een aangename reisgenoot, altijd in voor de meer hedonistische zaken als goed eten of naar musea gaan en architectuur bewonderen (waar hij ook iets van af wist), of, eigenlijk voortdurend en soms eindeloos, praten over een bijna onuitputtelijke reeks van onderwerpen En wat dat eten betreft: favoriet was toen al de klassieke Marsreep, object, dit keer niet muzikaal, dat de hele periode dat ik hem gekend heb letterlijk en figuurlijk aan hem bleef kleven. Voor mij, negen jaar ouder dan Paul, in die tijd een wild improviserend bassist met conservatoriumopleiding, die soloprogramma's over de hele wereld had gegeven en die componeerde op autodidactische basis, werkte de samenwerking als een katalysator. Mede door hem besefte ik dat ik, wilde ik stukken gaan schrijven die iets voorstelden, mezelf zou dienen te onderwerpen aan meer tucht: compositieles nemen was de enige optie. En dat deed ik dan ook. Bedankt, Paul!

Na onze gemeenschappelijke optredens en het daarop volgende onvermijdelijke moment dat Paul zijn eigen groepen ging leiden, ontstond er, nu met een iets andere inzet, geleidelijk aan een vriendschap waarin heel veel werd gesproken over heel veel muziek, heel veel beeldende kunst en iets minder veel literatuur. Andere zaken als het leven zelf of de liefde meer in het bijzonder kwamen ook aan de orde, maar Paul was hierin voorzichtig, gevoelig en niet opdringerig.

Paul was behalve een gretig en regelmatig lezer, een groot verteller. Door zijn soms groteske overdrijvingen en de meeslepende en beeldende taal waarvan hij zich bediende, brak vaak het epische door, en dat kon net als in zijn muziek soms hilarische vormen aannemen. Soms had ik het gevoel dat Paul een verhalenverteller was met de ratio van een film-editor.

Het leven als montage, muziek als poging
het gemonteerde leven in klank samen te vatten.


Ik ken weinig mensen, waarmee je zo bakvisachtig kon lachen, sterker: het lachen kon een bijna motivische motoriek aannemen, waarmee zo'n lachpartij of liever: stuip, eigenlijk ook weer als episch en bezwerend geboekstaafd kon worden. Nahikken kwam daarbij regelmatig voor. Dat nahikken werd, zo stelde ik me voor, getransporteerd naar zijn altsaxofoon en vormde zichzelf om tot iets als een object, en wellicht lag dat weer aan de basis van zijn bloppen of iets netter geformuleerd: tongpizzicati en heel misschien wel als de hysterisch/dramatische variant daarvan, het hyena-glissando.

Wat ik wil zeggen, is dat zijn bij tijd en wijlen gortdroge gecomponeerde muziek - Nederlands tot op het bot - toch ook altijd de fysieke impuls had van de componist die zelf een instrument bespeelt. En zo sloot ook Termos-de-musicus nauw aan bij zijn andere bezigheden.

Dan was er die jongensboekachtige atmosfeer bij gesprekken, iets tussen vertrouwelijkheid en samenzwering in, waarin zowel creativiteit als zware kritiek op 'de dingen die niet deugden' gedijde. Paul kon ineens woedend worden op autoriteit die niet op kennis of kwaliteit was gebaseerd. Maar echt zwaar was Paul eigenlijk nooit, terwijl zijn muziek toch niet als alleen maar vederlicht gehoord kan worden, denk aan Linea Recta of Vuoto Ossessivo.

Toen zich twee jaar geleden een Monk-project aandiende bij het MAE (Maarten Altena Ensemble), was Paul een van de componisten die een bijdrage leverde, en die was weer typisch Termos: er vlogen splinters Monk door de muzikale ruimte, (scherven Bemsha Swing o.a.) maar het Termos-instinct had ze zo gegroepeerd dat er heel herkenbare Paul-motoriek werd geproduceerd. Het ongelofelijk bot en keihard op een snaredrum meppen van een jazzbekken-ritme door Hans van der Meer, was voor mij zo'n moment waarop het jongensboekengevoel iedere uitvoering opnieuw spontaan naar boven borrelde. Extatisch en nuchter-Nederlands tegelijk.

Ik wil nog een andere kant van Paul belichten die ik heel kenmerkend vond. Tijdens vergaderingen van de artistieke raad van het toen nog zo vertrouwde Donemus, waar Paul en ik op een gegeven moment beiden deel van uitmaakten, viel het me vaak op hoe mild Paul kon zijn in zijn oordeel over andere componisten. Hij woog alles goed af, wilde stukken nog een keer horen en brak meer dan eens een lans voor muziek die niet bepaald in de mode was op dat moment. Deze houding werd vaak nog aangewakkerd bij snelle oordelen van anderen of bij algehele twijfel. Ik kreeg daar gaandeweg steeds meer respect voor en het werd tegelijkertijd een buffer waartegen je ook goed een radicaal ander geluid kon laten horen zonder dat het evenwicht totaal gesloopt zou worden ten koste van de aanvragers.

Ik maak een sprong in de tijd. Toen bekend werd dat Paul ziek was, was dat een enorme schok, eigenlijk totaal ondenkbaar. De wereld was op voorhand al een stuk leger, bij het onvermijdelijke einde dat in zicht kwam. Ik vond Paul de tijd voor die aankondiging achteraf al somberder en onzekerder dan ik van hem gewend was. Zijn ziekte verklaarde veel van wat ik niet kon plaatsen. Voor Paul moeten veel onzekerheden en vraagtekens over die periode op zijn minst met de duidelijkheid van de diagnose zijn weggenomen. Maar wat een ellendige duidelijkheid kreeg hij.

Ik heb groot respect voor Paul's niet aflatende soevereiniteit en de wijze waarop hij zijn ziekte accepteerde. Margo moet daarbij een ongelofelijke steun zijn geweest en zij moet het wel heel zwaar hebben gehad.

Het was voor mij een geschenk dat er in maart j.l. al sinds heel lang een MAE project stond geprogrammeerd waarin Paul de vrije hand had. Er klonk muziek van Paul en van Peter Adriaansz en Cor Fuhler. Ikzelf arrangeerde twee van de korte composities die hij gecomponeerd had voor dat eerste kwartet waar ik het eerder over had. Voor mijn gevoel was dat concert een afronding van onze samenwerking en vriendschap. Ik was gelukkig dat Paul had genoten van het project en dat hij er überhaupt twee keer bij kon zijn, ja, zelfs een korte inleiding gaf over zijn keuze voor het programma. En ik was blij dat er van die allereerste samenwerking nu opnieuw twee juweeltjes op het repertoire van het inmiddels geheel veranderde MAE staan.

Toen ik Paul na afloop van het Amsterdamse concert naar huis bracht vroeg hij mij aandoenlijk hoe het met mij ging en of ik gelukkig was. Ik had immers ook jaren geleden een zeer ingrijpende ziekte ondergaan en had mijn manier van leven daaraan moeten aanpassen. De doodzieke Paul die mij liefdevol vroeg naar mijn gezondheid; ik ervoer dat als een klein beetje de omgekeerde wereld, maar toch nog meer als de belichaming van de ware vriendschap.

Nog een laatste gedachte:
Bij het beluisteren van de laatste composities van Paul, zoals E-Dominio en meer specifiek het pianostuk Azzurro viel me op dat er in zijn muziek veranderingen aan het plaatsvinden waren. Er was een andere, meer chromatische stijl aan het ontstaan en het leek mij dat de klank dromeriger was geworden. Was dit een overgang naar een andere Termos, of was Paul onbewust al bezig met een kijkje in een andere wereld: wie zal het zeggen? Het is misschien wel mooi dat er iets was aangeboord dat nooit zijn raadselachtigheid zal prijsgeven, louter en alleen omdat alleen Paul daar, en ook dat is niet zeker, een antwoord op had kunnen geven.

Paul, bedankt voor al het moois - vaarwel!



Misha Mengelberg

Vijf of zes jaar geleden - je speelde met je improviseer-orkest in de IJsbreker - Jodie Gilbert zong en je had er onder anderen Peter van Bergen bijgehaald - ik heb zelden tijdens een concert zo hard moeten lachen, wat klonk dat Paul/Peter-duo koddig.

Natuurlijk had ik geaarzeld - concerten van vrienden klinken niet altijd even leuk. Niet consequent zijn is vermoedelijk in zulke gevallen de beste soort actie - zo nu en dan wel erheen - leverde een formidabel concert op. Nu je er niet meer bent zijn er gelukkige herinneringen, bandjes, platen en partituren die, naar ik denk velen met mij de komende jaren zullen blijven stichten en vermaken-

Dag - lieve Paul.



Peter Termos

Speech voor Paul

Paulus,

Zo begroette ik je altijd en dat zal ik ook blijven doen als ik aan je denk.

We zijn hier om afscheid van je te nemen, een droeve gebeurtenis, maar ik wil toch enkele voor mij persoonlijk dierbare, herinneringen naar voren halen.

Toen wij nog klein waren was jij altijd "mijn grote broer", die altijd vooraan stond als er iets aan de hand was. Als we ruzie hadden was jij de eerste die een klap uitdeelde. Ik heb nog een deuk in mijn hersenpan door een klap met je schep. Je gooide een worm in mijn mond toen ik hard stond te lachen om een grap van onze buurjongen Hans van der Steen in Haarlem.

Je kwam op voor je "kleine broertje", zonodig door onze hond Max op "de dader" af te sturen die dan afdroop met een paar tandafdrukken in zijn Tiroler lederhosen.

In Den Haag hebben wij ook een leuke tijd gehad. Daar zette je je eerste stappen op muziekgebied. Je maakte een gitaar van de sigarenkistjes van "Dikke Opa". Met de gebroeders Sjaak en Sjon had een bandje. Jij was daarin volgens mij nogal dominant in de muziekkeuze en de manier van spelen.

In onze Haagse tijd was je ook enorm ijdel. In de spiegel probeerde je diverse gezichtsposes om uit te vinden welke blik volgens jou het meeste succes zou hebben bij de meisjes van club 192 in Scheveningen.

In Mariahoeve heb je mij nog een keer uit het water gevist omdat ik door het ijs was gezakt en iedereen maar stond toe te kijken hoe ik tevergeefs probeerde om aan de kant te komen.

Op school waren we vaak buitenbeentjes. We droegen wijde geruite broeken en bijpassende petjes. Op de katholieke lagere school gaf dat zelfs aanleiding tot een schorsing en een verbod op de petjes. Na een gesprekje met pa was dat al snel weer over.

Misschien weet niet iedereen dat maar je hebt ook nog op een blauwe maandag gevoetbald. We zaten op dezelfde voetbalclub. Dat was net echt een succes. De wedstrijd tegen "Oranjeplein" was het einde van onze voetbalcarriére, We hadden er schoon genoeg van toen een vader van deze club zich geroepen voelde om verhaal te gaan halen op een van de jongens in ons elftal die zijn zoontje onderuit had gehaald. De man heeft ons ter plekke enkele - voor ons tot dan toe onbekende - scheldwoorden geleerd. Ik ben toen gaan tennissen en jij heb de sport definitief gedag gezegd.

Ik kan mij enkele pittige discussies van jou herinneren met pa. Een daarvan had betrekking op het gebruik van enkele knoppen van jouw elektrische versterker. Je speelde toen nog gitaar. De discussie dreigde volgens ma ernstig uit de hand te lopen en zij sprak toen de gevleugelde woorden: "Peet doe de gordijnen dicht", hetgeen ik natuurlijk direct deed. De overburen (op ca 150 mtr afstand!) mochten immers niets zien.

Wat je niet voor elkaar hebt gekregen was de aanschaf van een pak uit een winkel in de beruchte Boekhorststraat. Een destijds bij de "nozems" nogal populair modepak, strak getailleerd met een zogenaamd bakkersruitje. Pa en Ma wilden, tot jou grote woede, daar niet aan. De verkoper zei daarbij meewarig: "Ach mevrouwtje dat maken we hier dagelijks mee."

Onze komst naar Amsterdam is ook niet ongemerkt voorbij gegaan. Op de Breitner Mulo kregen wij al gauw de bijnaam "De Haagse Hopjes". Je kwam naar school in een engelse trenchcoat met zwarte paraplu over de arm. Ze vonden ons eerst maar een raar stel met een vreemd "bekakt" Haags accent. Na een nogal heftig incident met de - alom gevreesde - Engelse leraar was onze naam definitief gevestigd. We konden niet meer stuk op die school.

In Amsterdam hadden we jarenlang een eigen verdieping bij onze ouders aan het Victorieplein. We hadden daar 3 kamers en een ruime hal tot onze beschikking. Er kwamen en gingen de nodige vriendinnen.

Je bent als eerste op kamers gaan wonen. Je kwam thuis met een enthousiast verhaal over een kamer(tje) aan de Amstel, schuin tegenover de magere brug, vlak bij Carré. Je kon er niet eens staan en er was geen eigen sanitair, maar dat vond je geen enkel punt. Je kon toch zitten! Typisch Paul, niet echt praktisch ingesteld. Je kwam dus vaak thuis om te eten, te douchen en je wasje te laten doen.

Na je vertrek van het Victorieplein hebben onze levens een geheel eigen richting gekregen. Jij stortte je volledig op je muziek en ik op mijn rechtenstudie. We bleven elkaar regelmatig zien bij de zondagavondetentjes aan het Victorieplein, bij pa en ma, waar we dan even konden bijpraten. Ook na het overlijden van pa hebben we deze traditie zoveel mogelijk gehandhaafd.

Je muzikale ontwikkeling hebben we zo goed mogelijk geprobeerd te volgen via je concerten, je CD's en via radio en TV. Je belde vaak op als er iets stond te gebeuren.

Na het afschuwelijke bericht in november vorig jaar werd ons contact natuurlijk veel intensiever.

Gelukkig heb je ook nog een "optreden" van mij als advocaat mogen meemaken. Het was een nogal heftig Kort Geding in Amsterdam over de bouw van een Moskee. We vonden het allebei een bijzondere ervaring en waren ook een beetje trots op het resultaat.

Zeer dierbaar is voor mij het laatste gesprek dat ik met je heb gehad, waarin je aangaf dat het zo wel mooi was.

Dag lieve Paulus, ik zal je missen.



Raoul van der Weide, 26 mei 2003

Herinnering aan Paul.

25 jaar geleden ontmoetten Paul en ik elkaar in het huis op de Prins Hendrikkade 132 waar hij toen woonde. Het was vriendschap op het eerste gezicht. Een vriendschap die opbloeide vanuit een vanzelfsprekende geestverwantschap. En die zich heel vruchtbaar en loyaal door de jaren heen via een breed stroomgebied van gedeelde belangstelling heeft ontwikkeld.

Niet alleen hebben wij samen met Wim heel veel en intensief geïmproviseerd in het Paul Termos Trio en ontwikkelden we daarin een eigen manier van muzikale expressie en refectie. Maar tegelijkertijd raakten we niet uitgepraat over het enerverende in muziek, beeldende kunst, design, mode, architectuur en poëzie.

Schoonheidbeleving was bij Paul een hele sterke inspirerende behoefte en een bron van geluksbeleving. Hij kon van heel utieenlopende dingen genieten. Van zowel een bosje asperges als een schilderij van Pontormo, van een rondscharrelende fuut in de gracht maar ook van een improvistie van Derek Bailey, een polderlandschap of een verhaal van Louis Couperus.

Zijn vermogen om daarbij opgeroepen esthetische gevoelens onder woorden te brengen was aanstekelijk door de manier waarop hij dat deed: altijd vanuit een persoonlijke maar nooit vrijblijvende of dogmatische taal. Van het raadselachtige vermogen dat taal tegelijkertijd scheppend en mystificerend - onthullend en verduisterend - kan werken was Paul zich zeer bewust. Pogingen de verbeelding te vertalen verliepen vaak in een levendige half opgewonden stemming. Gesprekken met gevoel en aandacht voor verrassrende associatieve verbanden, details, speculatie, verwarring, relativering. Maar ook met humor en de slappe lach waar Paul een meester in was.

Het ging altijd om het plezier in het spel van het maken. Paul was een spelende mens bij uitstek. Het spel was zijn methode om zijn fantasie vorm te geven en zeggingskracht in te blazen. Het om te zetten in een betoog, tekst, improvisatie of compositie. Daarbij hebben de argeloosheid en onbevangenheid - die sinds Paul's jeugd altijd in tact zijn gebleven - zijn stijl een eigenzinnige lichtheid gegeven. Voor cynisme had hij geen talent.

Dat maakte hem tot een stimulerende en dierbare gesprekspartner en medemuzikant die heel helder en vanuit een open en bescheiden houding de wereld om zich heen waarnam en beleefde. Ieder onderwerp had recht op aandacht, was de moeite van het doorgronden waard. Voor hem was een glas dat voor de helft gevuld was, nooit half leeg maar altijd half vol. Deze houding - een soort afweersysteem tegen ontevredenheid uit zelfrespect - heb ik altijd erg bewonderd.

Ik denk dat Paul al op jonge leeftijd in de belangstelling stond bij de Muzen en dat die belangstelling geheel wederzijds was. Vanuit die gevoeligheid heeft hij een persoonlijk universum kunnen opbouwen vol dromen, lyriek, fascinaties, mysteries, intuïties en later natuurlijk zijn eigen artistieke scheppingen, persoonlijke herinneringen en ervaringen. Ik heb altijd het gevoel gehad dat dit bezield universum - Paul's intieme schatkamer - mentale bescherming en waardigheid heeft geboden tegen de ontluistering van zijn naderende dood. De dood die aanvankelijk op kousenvoeten en daarna steeds dictatorialer de eindigheid van Paul's bestaan voelbaar, zichtbaar en uiteindelijk onontkoombaar heeft gemaakt.

De onvoorstelbare moed waarmee Paul dit aangrijpende en confronterende proces tot het laatst toe heetf doorgemaakt - accepterend, nuchter, helder, openhartig en af en toe radeloos - was intens en ontroerend. Ontroerend omdat hij ons, de machteloze achterblijvers, troost insprak en ons leerde te accepteren wat als onaanvaardbaar en onbegrijpelijk voelt.

Ik denk met dankbaarheid aan het geluk en de onbaatzuchtigheid die Paul ons heeft geschonken. Want daar was hij niet karig mee.

Lieve Paul, blijf bij me en blijf me bij.

Rust zacht.



Joop Haring, vrijdagavond, 23 mei 2003.

Lieve Margo, familie, vrienden,

Wat kun je zeggen als je beste vriend zo uit je leven wordt geslàgen.
Als je altijd het unieke voorrecht hebt gehad, een levenslange kameraadschap te voelen...Veel verhalen zullen hier dubbel verteld worden , maar dat geeft niet, het illustreert alleen maar de gemeenschappelijke gevoelens.

Hé Paulus, broeder in de kunst...Zo ging dat rond tussen vrienden!
In Den Haag in '66 luisterde Paul (14 jaar) al naar Coltrane, Miles Davis, Archie Shepp. Bij mij hingen de posters van de Rolling Stones nog aan de muur. Voor Paul was al heel vroeg duidelijk waar zijn wereld lag. Geen zijpaden zaten daar tussen. Een onvoorwaardelijke keuze, geen andere weg.

Toch was dat geen éénzijdigheid.

We hebben onvergetelijke betogen gevoerd over literatuur, beeldende kunst en zeker in die puberale tijd, ook meisjes!
Urenlang, soms oeverloos. Het is voor mij een geschenk om al deze herinneringen te hebben.
Het maakt mijn leven rijk en waardevol.
Ik koester ze, maar heb groot verdriet dat daar geen nieuwe meer bijkomen.
Ruim een half jaar geleden kregen we de schok, de woede en wanhoop en nu het verdriet...

Mijn gedachten flitsen steeds terug, over en weer...
Dan zijn we weer veertien ( in '66) en zitten in het natuurkunde lokaal . De slappe lach en veel strafwerk...

Ik zit in '68 in de trein van Den Haag naar Amsterdam en ga logeren bij Paul, die net verhuisd is. Ik ben 16 jaar en lees het laatste hoofdstuk van "on the road", uit. (Jack Kerouac)
Ik stap uit de trein, voor het eerst "de echte wereld'' in.
Paul opent voor mij een onbekende weg, muziektempel Paradiso en Fantasio, een dromenland. Het is vreemd en spannend tegelijk. In de vroege ochtendkou lopen we terug naar zijn huis op het Victorieplein.
We schrijven elkaar of logeren.
In 1970, schrijft hij mij - citaat "Laat ik u mededelen dat ik nog steeds niet naar de kapper geweest ben, dat ik elke zaterdagavond mijn haar tot onmetelijke hoogte toupeer, om in club '67 , als pauw te verschijnen"...
Dierbare brieven en herinneringen.
In een andere brief nodigt hij mij uit om te komen logeren.
Hij schrijft "Joop , je hoort nog over een nader vast te stellen datum van jou aankomst in Amsterdam".
Van zoiets kun je alleen maar houden, dat kan niemand anders. Daarom heb ik, denk ik, deze brieven bewaard.
Het Stedelijk Museum, de eerste stap die ik hier zette, was met Paul in '66 , een prachtige tentoonstelling van Paul Klee. We werden door zijn vader afgezet en ook weer opgehaald. Die eerste kennismaking met Klee bleek later voor mij doorslaggevend. Paul bracht mij hier.
Het bleek een geschenk, deze vriendschap.

In '71 (dacht ik) wordt ik door Paul uitgenodigd voor een concert van Carl Heinz Stockhausen, in het Kurhaus, Scheveningen. Het publiek zit in het midden, het orkest is verdeeld in een carré. Het is voor het eerst dat ik Guus, Wim en Paul Jansen ontmoet, baardige mannen die mij komen ophalen in een klein autotje op mijn ouderlijk woonadres in Den Haag. De muziekervaring is volstrekt nieuw.
Den Haag, stad van Couperus en van prachtige verhalen over 'dikke opa en zijn tante Jo'. De serene sfeer van het Gemeente Museum van Berlage, dat in de vroege ochtend waanzinnig mooi is om de Mondriaancollectie te bekijken.

Wanneer ik in '73 zelf in Amsterdam kom wonen, wordt onze vriendschap hecht.
Jong, nog ongebonden, we gaan alles ontdekken. Natuurlijk komt voor Paul eerst de muziek!...dan de literatuur en beeldende kunst.
Een willekeurig café, restaurant begin jaren '80. Er is altijd een moment voor een geniale grap, we blijven altijd 15, zelfs tot voor kort.

Het is inmiddels 1983 - ik heb een atelier gevonden tegenover Artis- vlak bij Paul's werkplek. In '84 studeer ik af. Natuurlijk zien we elkaar regelmatig, maar zeker niet elke week. De werkdag is ons veel waard. Als we elkaar zien voor een lunchbroodje, dan gaat het over werk. Paul is aan het 'stressen' door een opdracht, die een deadline heeft. Er is, zo zegt hij, een goed thematisch begin, er komt elke keer een stukje bij, maar het gaat traag, soms is het toch niet goed, - zo gaat dat, je eigen criticus te zijn om weer opnieuw te beginnen.
Het is de ultieme uitdaging om nieuwe wegen in te slaan en dat herken ik aan mijn eigen geworstel. Maar wat is het toch geweldig als je iets vindt dat echt oorspronkelijk is en waarvan je denkt en hoopt dat het van waarde wordt.
Volgende dag weer even kijken of luisteren...Dan opeens de zekerheid, dit is goed, euforisch moment, af...niks meer aan doen.
Gelukkige momenten. Paul kon dan letterlijk een vreugdedansje maken.
Bevoorrecht zijn met ons vak, kleine Titaantjes voelden wij ons.

Met- hink- stap- sprong, waad ik mij door de tijd.
In '92 worden we 40, we schelen maar 3 dagen.
Gingen we in '70 voor het eerst naar Parijs, nu voor de 6e maal.
Beschaafde heren geworden met liefst een denkbare Franse Camelcoat.
Ja, dat was een bijzondere wandeling in de 19e eeuwse passages van Balzac en Zola. Heb jij mevouw Arnoux gezien?

We vinden ook parallel aan elkaar, eind jaren '70 onze liefdes.
Ook dat is een bijzondere overeenkomst, de standsvastigheid.
Het heeft onze vriendschap niet vermindert eerder versterkt.Oud en nieuw vieren en de traditionele mosselmaaltijden. Veel fantastisch kabaal.

Vorig jaar kwam dat afschuwelijke nieuws. Mijn hart stond stil en mijn wereld werd opeens erg klein. Ik wist niet dat ik zoveel tranen had. We lopen naar de Hortus en kunnen ons daar afsluiten van het dagelijks rumoer.
We praten over de toekomst, die geen toekomst meer wordt, over veel intieme dingen. We beloven elkaar nog veel te doen, ook voor later.V En nu... Nu is het opeens stil, ik schrijf dit op en luister naar muziek, jouw muziek en het weten, dat je er gerust op was, dat je alles hebt kunnen afronden met hulp van je vrienden.
Je composities en improvisaties zijn blijvend vastgelegd en zullen weer inspiratie vormen voor collega's.
Het gevoel, dat je heeft gesterkt in het woeste gevecht dat je hebt moeten voeren met het leven.
De continuïteit zal toch doorgaan via anderen, dat is een groots gevoel.

Wat het meest fundamentele in onze vriendschap was, dat was de oprechtheid, het geloof in elkaar, de humor. Dat zal ik altijd blijven uitdragen, als ik het over jou heb.

Hoe ik je ook mis, Paul, ' broeder in de kunst', je gaat nog een leven met mij mee.



Peter Adriaansz.

Na alle mooie woorden die hier vandaag al gesproken zijn weet ik niet of wat ík te zeggen heb hier nog iets essentieels aan toe kan voegen, maar toch wil ik graag van deze gelegenhied gebruik maken om mijn vriendschap met Paul te herdenken om op deze manier afscheid te kunnen nemen van iemand die mij artistiek en menselijk nabij stond.

Ik reken mij niet tot de meest nauwe intimi van Paul - we schelen immers zo'n jaar of 15 - maar in de ca. 7 jaar dat ik hem goed gekend heb is hij een vast element in mijn leven geworden.

Als komponist hoorde ik zijn werk voor het eerst begin jaren '90 en in die hoedanigheid is hij voor mij altijd een model geweest van hoe het hoorde: streng, maar menselijk; compromisloos maar direkt en uitnodigend. Muziek dat essentieel was en waar noodzaak uit sprak. En last but not least muziek dat, ondanks de dreigende ondertoon, barstte van optimistisch elan en nieuwsgierigheid.

Als mens heb ik Paul pas echt leren kennen vanaf de periode dat wij samen in het bestuur van Componisten 96 zaten. Ik herinner mij iemand die zeer verrassend uit de hoek kon komen. Menige vergadering in de door sigarenrook bedwelmde werkkamer van Cornelis werd plotseling opgeschrikt door Paul die tot dat moment ogenschijnlijk had zitten suffen. Maar niets was minder waar: net zo essentieel als zijn muziek was, waren ook zijn meningen. Voor franje had hij weinig interesse en als hij eenmaal het woord had viel er ook verder nauwelijks meer tussen te komen.

Deze impulsieve intensiteit was voor mij een van zijn voornaamste charmes.

Net als bij menige komponist speelde de telefoon een belangrijke rol in onze relatie. We spraken weliswaar regelmatig af maar tussen die periodes door was de telefoon de levensader. Paul had er schijnbaar nooit enige moeite mee om gestoord te worden, sterker nog, ik vermoed dat de telefoon een zeer welkome verademing was temidden van de studeerkamerterreur. De gesprekken konden eindeloos duren en bestreken werkelijk alle facetten van het leven. Regelmatig werd het een en ander door de telefoon doorgespeeld en van instant commentaar voorzien. Paul was een zeer erudiet en belezen persoon en kon zijn ontdekkingen met een aanstekelijk enthousiasme verkopen, zonder dat ze ooit daarbij tot diktaat werden. Daarvoor waren er ook altijd teveel ontdekkingen... Maar naast zijn intellectuele bevlogenheid was Paul ook een zeer warm mens. Ik herinner mij hoe hij zich vaak kon verontschuldigden als hij te continu een onderwerp had gedomineerd en herinner mij ook zijn enorme bezorgdheid in een periode waarin Margo ernstig ziek was en hoe hij alles daarvoor opzij zette. Zijn dagelijkse bestaan zal er ongetwijfeld ook minder poetisch uit hebben gezien maar het feit dat Paul altijd de moed had om naar zijn hart te spreken maakte alles wat hij zei legitiem. In zijn handelen kon hij altijd rekening houden met de ander en voor een komponist vind ik dat een zeldzame gave.

Ik wil nog een aantal van onze gezamelijke ervaringen herdenken.

Als een daad van vriendschap en artistieke verwantschap opperde ik om zijn X OR CD van toelichtingen te voorzien. Aan de sessies bij hem thuis, gewapend met een bandrecorder bewaar ik nog vele goede herinneringen. Als een geslepen amateur psycholoog probeerde ik zijn psyche te doorboren en terug te brengen tot een aantal heldere, liefst dogmatische statements. Ik kwam echter van een koude kermis thuis: meningen alom, en veel, heel veel anecdotes... maar geen dogmatische stellingen. Paul kon zeer geopinieerd zijn, maar liet zich ondanks de vele keuzes waar zijn werk van getuigt, nooit verleiden tot een dogmatische houding. De zucht naar avontuur, het plezier van ontdekken en de nieuwsgierigheid naar verborgen verwantschappen kwamen altijd eerst. Ik heb dit altijd als een wijze les ervaren.

Paul was uiteindelijk zeer verguld met het resultaat en aan deze sessies heb ik nu een handvol cassettebandjes overgehouden die ik als mooi document van deze tijd koester.

In de jaren daarna hebben wij het veelvuldig gehad over een Opera die hij voor mijn groep zou maken. Het leek ons allebei het ideale projekt voor hem - hij was weer aan iets groots toe. Zoals meestal gaan dit soort projekten niet over een nacht ijs, maar aan het begin van dit seizoen stonden eindelijk alle elementen op hun plaats: er waren data en er was een regisseur. Toen ik Paul echter begin Oktober ontmoette voor een vergadering met de regisseur werd het mij snel duidelijk dat er iets mis was, hij was schrikbarend afgevallen. Medio November kwam uiteindelijk het nieuws van zijn ziekte en verdwenen deze plannen van tafel. Ik ben nog steeds benieuwd hoe die Opera er uit zou hebben gezien.

In maart van dit jaar trokken wij tenslotte samen nog één keer op, in een programma van het MAE. Paul had mij uitgenodigd hem gezelschap te komen houden op het programma met een nieuw werk. Hoewel hij er lichamelijk slecht aan toe was, woonde hij het merendeel van de repetities bij een bleek nog niets van zijn betrokkenheid verloren te hebben. Tot het laatst droeg hij nog zorg voor zijn werk en kon hij enthousiasme in interesse tonen in het werk van anderen. Hoewel zijn lichaam aftakelde was zijn geest nog steeds erg gewillig, en, zoals ik het vernomen heb, is dit tot het einde toe ook zo gebleven.

Voor mij persoonlijk was dit het hoogtepunt in onze artistieke liaison.

Het is dan ook met veel persoonlijk gemis dat ik afscheid neem van de mens en de komponist Paul termos. Paul, het ga je goed, je hebt je leven rijk gevuld.



Tante Riet

Ik wil graag even spreken voor Paul namens mijn familie.

Wij hebben allemaal zoveel fijne en leuke herinneringen aan Paul.

Hij was natuurlijk ook het eerste kleinkind in de familie en dat was zo leuk, want Trees kwam heel veel met hem naar de 's Gravesandelaan, waar we toen allemaal nog woonden, we hadden zo veel plezier met hem en hij genoot ontzettend van al die aandacht, vooral zingen met elkaar vond hij heerlijk, misschien is hij daardoor later in de muziek gegaan, wie zal het zeggen, het heeft hem in ieder geval gelukkig gemaakt en hem, zo te zien, een grote vriendenkring bezorgd, en Margo niet te vergeten

Het is dan ook ontzettend moeilijk te aanvaarden dat hij nu dood is, onbegrijpelijk ook, hij is nog zo jong.

Wij blijven met liefde aan Paul denken.

Margo, je hebt een heel moeilijke tijd gehad en nog, je hebt zo goed voor Paul gezorgd, heel veel sterkte.

Trees, voor jou heb ik haast geen woorden, je kind verliezen is een ramp. We kunnen je alleen maar steunen en er zijn als je ons nodig hebt.

Ook Peter en Margo veel sterkte.

Jullie hele familie



Wiek Hijmans

Voor de mensen die dat niet weten. Paul en ik hadden een improvisatie duo en hij heeft een gitaarsolostuk voor me gecomponeerd. Vlak voor hij overleed heb ik hem een brief geschreven. Margo deed me de suggestie die brief hier voor te lezen en dat ga ik in iets aangepaste vorm nu doen.

Lieve Paul.

Speelmaat. Ik wil schrijven wat ik van je geleerd heb en wat ik bij me zal dragen.

Misschien is wel het belangrijkste dat je veel kennis en een zeer uitgesproken eigen stijl verbindt met een bijna naïeve openheid ten opzichte van nieuwe en andere, minder voor de hand liggende invloeden. Je houdt gewoon van muziek (en van veel andere dingen) en misbruikt de muziek niet om je positie te vestigen of te verbeteren. Daarom kan ik met je spelen. Je bent voor mij volgbaar, overigens niet voorspelbaar. Het is glashelder waar je denken begint tijdens het improviseren en waar het ophoudt en je instinct de leiding neemt. Je bent altijd op zoek naar oplossingen voor de grote problematieken van het musiceren. Je probeert die problemen hanteerbaar te maken, niet te ontwijken. En dat maakt je kwetsbaar, maar dat is ook het mooiste wat ik van je (her)ken. Dat is ook het mooie van wat we tijdens die ene sessie twee jaar terug hebben opgenomen: alles mocht bestaan, de angst voor het esthetisch falen werd overwonnen. We konden gewoon laten horen hoe wij muziek horen en dat is het beste wat we te geven hebben.

Paul ik weet dat je te ziek was om verder te leven en ik weet niet of het ons ooit gegeven zal zijn elkaar nog te zien, te omhelzen. Maar weet dat ik je muzikale en vriendschappelijke verhalen bij me draag. Bijvoorbeeld tijdens onze wandelingen in Xiamen, China , opweg naar een concert op de universiteit daar of tijdens die dag in dat betoverende botanische park. Altijd sneed je weer een belangwekkend muzikaal of cultureel onderwerp aan, niet om te beleren, maar om te leren, soms meer dan ik trok, maar meestal tot inspiratie. God wat hebben we genoten van eten en mooie dingen en vooral van het steeds weer luisteren naar die opnames Paul.

Maar ook je ondersteunende belangstelling voor mijn solo werk was heel belangrijk. Met E dominio heb je iets voor me gemaakt dat voor altijd is en waar nu al veel mensen van hebben genoten. Velen zullen volgen, als het goed is. Bedankt, man. Ik denk aan je en weet dat je de kracht hebt gehad om mensen te ontroeren en om ze te laten lachen. Je muziek zal dat blijven doen, mensen ontroeren en laten lachen.

Heel veel liefs ook voor Margo.

Ik hoop dat we elkaar ergens, ooit, zullen zien, Paul, speelvriend, want we hadden eigenlijk nog heel veel te spelen.



Wim Janssen

Iedereen heeft zijn eigen Paul-beeld.
Voor de een is Paul de originele componist van mathematische exacte essentie,
Voor de ander de bevlogen improvisator met de hyena-schreeuw.
Voor mij was Paul dat allebei, maar er was ook iets anders.

Het begint met zijn zeldzaam veelzijdige interesse, waardoor vaak inspirerende gesprekken mogelijk werden. Die zeldzaam veelzijdige interesse is nou niet bepaald iets wat je vaak ziet. Mensen, die heel veel afweten van muziek, en plotseling nog meer blijken te weten van beeldende kunst, architectuur , dans, design, literatuur en noem maar op. En met weten bedoel ik ook :"voelen".

Paul ging creatief om met die veelzijdige interesse en dat leverde mooie vergezichten op. Lange monologen, met hilarische momenten, de melodie in zijn stem, de opgewondenheid, de verrassende omzwervingen. En misschien maakte het wel niet uit waar het over ging, opeens gebeurde het, hij bracht je op een of ander idee. Ik kan niet aanwijzen hoe dat ging of waar dat door kwam. Hij had de invalshoek van een kunstenaar, en dan kijk je vaak naar de dingen door de ogen van een maker. Dat betekent : Volop genieten als iets gelukt is, omdàt je weet hoe moeilijk het is, maar daarnaast ook oog hebben voor onaffe dingen of de goede kanten zien aan mislukkingen.

Zijn encyclopedische kennis mocht hij graag koppelen aan zijn vermogen om zijn gevoel helder en snel onder woorden te brengen. En daardoor zette hij zijn gesprekspartners meteen op scherp. Dat is nou wat ik mij steeds herinner. Of je nou wilde of niet, je zat gelijk na te denken.
Paul werd dan altijd heel even zèlf, een inspiratiebron. Ik zou bijna zeggen :Alsof de muze zelf eventjes langs kwam.

Paul, we zullen je missen.



Margo Rens

Staande in de pedalen fietste Paultje op 10-jarige leeftijd heel Haarlem door. In de stilte van de zondagochtend verkende hij heerlijk in z'n eentje alle 19de eeuwse straten, architectuur en etalages die vanaf die tijd altijd een belangrijke inspiratie voor hem zouden zijn.

In de prachtige nieuwe Sint Bavo ontdekte hij op zo'n tocht het jongenskoor, waar hij dolgraag bij zou willen zingen. Hij deed auditie als de jonge Elvis die hij was, inclusief vetkuif, en dus werd hij helaas afgewezen.

Andere ontdekkingen waren de schittende jaren 60-etalages die hij als stillevens bewonderde. De etalages van stoffenwinkels, maar bovenal die van de verschillende muziekwinkels. Vooral de gitaren zijn nooit van z'n netvlies verdwenen.

Langzamerhand besloot hij musicus te worden, in plaats van etaleur. Hij kreeg gitaarles en leerde 1000 liedjes spelen.

Deze 10 jarige jongen met z'n blijmoedige opgeruimdheid is altijd in Paul gebleven. Hij heeft de onbevangen springerigheid (zoals wij het gingen noemen) nooit verloren. Ook toen wij veel mensen om ons heen zich min of meer zagen settelen, kozen wij ervoor Paul's ongebondenheid nooit aan te tasten.

Z'n enthousiaste, jongensachtige nieuwsgierigheid is Paul nooit kwijtgeraakt, tot ongeveer voorjaar 2002, het moment waarop de lusteloosheid die achteraf geredeneerd het gevolg was van zijn ziekte, het hem onmogelijk maakte. Afgezien van de laatste moeilijke maar ook heel dierbare periode, heeft Paul een fantastisch leven gahad en is hij altijd de enthousiaste 10 -jarige, staand op de pedalen, gebleven.

Een jongen met een zorgeloze jeugd, lekker verwend door z'n ongelooflijk lieve moeder.


terug naar boven

 

 



Persoonlijke herinneringen aan Paul


Herinneringen van Nils Wieland aan Paul


De eerste keer dat ik Paul ontmoette was tijdens een gitaarles van 'meneer' Pfister; dit moet in Maart 1970 geweest zijn. Meneer Pfister was de gitaarleraar van de vooropleiding van het toen nog in de Bachstraat gevestigde 'Amsterdamsch' Conservatorium, waar toen overigens nog uitsluitend klassiek gitaar gedoceerd werd.

Besloten was dat Paul en ik samen les zouden krijgen, omdat wij elkaar qua niveau niet al te veel ontliepen en elkaar misschien ook konden aanmoedigen. Dit ondanks dat Paul ongeveer 8 maanden eerder in de vooropleiding gestapt was dan ik en 2 jaar ouder was dan ik (hij was 18, ik was toen 16).

De week ervoor had de heer Pfister me weliswaar ingelicht over een en ander. Met deze bloedserieuze, bijna norse, gewichtig op de gitaar preludiërende knaap die ik in het leslokaal aantrof (zijn lange haar viel geregeld met dramatische bewegingen over zijn gezicht) had ik echter geen rekening gehouden.

Het stuk dat hij voordroeg bleek een trage menuet in d-mineur te zijn waarin de E-snaar omlaag gestemd was naar een D. Tot de entree van de heer Pfister ongeveer 10 minuten later wisselden we geen woord met elkaar; over handen schudden en namen noemen kan ik me niets voor de geest roepen.
Tot dat moment ging Paul onverdroten voort met zijn gloedvolle voordracht (waarvan ik overigens nogal onder de indruk was). Verder herinner ik me dat ik waarschijnlijk nooit bevriend zou raken met zo'n idioot serieuze gozer, dat was duidelijk.

Niettemin ontwikkelde zich vrij snel een hechte vriendschap tussen Paul en mij waaraan vele herinneringen me zijn bijgebleven. Zo hielp hij me b.v. gedurende een gedeelte van de vooropleiding met mijn nog embryonale kennis van solfège en gaf hij me bijles in het pianokamertje van zijn ouderlijke woning aan het Victorieplein. In overleg met zijn ouders mocht ik op zijn kamer studeren als hij naar het Conservatorium was, omdat dat bij mij thuis slechts in beperkte mate mogelijk was.

Een andere herinnering die op een of andere manier is blijven hangen, is dat toen ik een keer op zijn kamer gitaar had gestudeerd, hij terug kwam van een gitaarles bij Dick Visser. Zichtbaar geïrriteerd ging hij op de rand van zijn bed zitten en trok zijn boots uit. Ik hoorde hem half kreunend de woorden uitspreken: "Dowland.....te vrij!!.....". Zijn eigenzinnige interpretatie van 'Lachrimae' van barok-componist John Dowland had in de ogen van de leraar geen genade kunnen vinden; dat was 'typisch Paul'.

Eigenzinnigheid was, zoals iedereen die Paul gekend heeft weet, zeer kenmerkend voor zijn persoonlijkheid. Iets anders dan eigenzinnigheden heb ik eigenlijk nooit van hem vernomen. Niet dat hij een enorme snobist was, hoewel hij meermalen openlijk en zonder ironie bekende trekken in die richting te hebben. Hij was eenvoudigweg een totaal oorspronkelijk iemand, die zich slechts zeer moeizaam door wie dan ook over wat dan ook liet overtuigen, behalve door wel zeer doortimmerde visies van uitermate spreekvaardige debaters die een en ander dan nog feilloos voor 't voetlicht wisten te brengen ook. Door weinigen dus.

In ongeveer dezelfde periode toonde hij me z'n eerste partituur, een compositie waarvan ik bij god niet wist wat ik er mee aan moest. Het was een 'hedendaags' stuk voor gitaar; door mijn onervarenheid met de materie kwam het me allemaal hoogst indrukwekkend voor. Dertig jaar later toen ik hem aan dit stuk herinnerde zei hij nadrukkelijk, bijna geïrriteerd, dat het achteraf toch wel "erg weinig voorstelde". Natuurlijk was in die begintijd de daad van 't componeren veel belangrijker dan de artistieke boodschap. Zoals bekend overleven ook composities van de allergrootsten niet altijd inhoudelijk de tand des tijds...

Wat Pauls 'gitaarleven' betreft, kan ik degenen die niet op de hoogte zijn van de specifieke kenmerken op dat gebied goed informeren. Bijna niemand heeft deze ontwikkeling, met name in de 70-er jaren, van zo dichtbij meegemaakt als ik. We begonnen als gitaarvrienden, wat we in zekere zin altijd zijn gebleven, omdat de gitaar als een soort 'meisje van hout' , maar dan wat berekenbaarder, als een subliem vormgegeven 'muziekkastje', van meet af aan een zeer warme plaats in ons hart innam en is blijven innemen.

Over zijn gitaarperiode is de volgende saillante anecdote zeker vermeldenswaardig. Van meet af aan was het mij, en natuurlijk ook anderen opgevallen dat Paul nogal last had van trillende handen, wat niet bevorderlijk is voor het bespelen van welk instrument dan ook. Voor de gitaar echter is dit zo mogelijk nog een groter probleem dan voor andere instrumenten. Met name bij het arpeggio, een prominent onderdeel van het gitaarspel, zullen onvermijdelijk grote problemen opduiken, vooral wanneer de speler lijdend aan dit euvel onder wat grotere druk komt te staan bij een concert of een voordracht.

Dit leidde dan ook tot een klein drama op een overgangstentamen toen Paul zich verslikte in de beruchte Etude nr. 1 van Villa-Lobos, het arpeggio-struikelgitaarstuk par exellence. Hij kwam muurvast te zitten en gaf in een kenmerkend ongegeneerd en geëmotioneerd commentaar te kennen dat 't allemaal de schuld van onze gitaarleraar Dick Visser was, die in zijn ogen veel te weinig aandacht voor zijn probleem op dit gebied had gehad, wat tot grote consternatie achter de groene tafel leidde, zo niet tot een rel. Een precedent van de eerste orde. Wat het waarheidsgehalte van Pauls visie betreft, is men er zelfs in hedendaagse wandelgangen nog niet helemaal uit....
Levendig herinner ik me nog het tumult van de jury uit Kamer 1, dat dwars door de dubbele deur heen op de gang hoorbaar was, waar de andere, evenzeer gespannen kandidaten zich bevonden.

Op zijn mond gevallen was Paul, bleek toen eens te meer, allesbehalve. In mijn ogen was hij toen al - jong als hij was - een intellectueel pur sang. Onze gezamenlijke gitaarleraren verbaasden zich geregeld over het soms verbijsterend 'verbale vermogen' van 'deze knaap'.

Paul kon mooi, uitmuntend gearticuleerd en expressief gitaar spelen, en had een harde maar ronde 'toon'. Hij had van meet af aan duidelijke voorkeur voor hedendaagse stukken. Zo herinner ik me de verplichte standaard-stukken die iedereen, dus ook Paul moest spelen. De Carcassi en Villa-Lobos etudes, de befaamde Menuet in C-majeur van Fernando Sor, de Pavanes van Luis Milan, de geniale stukken van De Narvaez, etc.. Ondanks het plezier dat ook hij in de meeste verplichte stukken had, dweepte Paul nog meer dan met de gitaar als instrument, met de stukken van Richard Rodney Bennet en de Cubaan Leo Brouwer. Componisten waaraan andere gitaarleerlingen de vingers liever niet brandden, bij gebrek aan kennis en feeling voor dit repertoir: voor Paul ging het hier echter volstrekt om het spreekwoordelijke "gefundenes Fressen".

Wat zijn gitaarimprovisaties betreft, was Paul naar mijn gevoel een pionier. Snelle arpeggio's vermijdend, ontwikkelde hij een expressieve stijl, die gedeeltelijk atonaal, gedeeltelijk modaal was en die grotendeels bestond uit glissando's en vibrato's. Op de hoogtepunten wisselde hij staccatospel bij de kam af met trillers en legato's die hij, in een voornamelijk monofone speeltrant markeerde met aaneengeregen intervallen en geregeld opduikende hyperdissonante accoorden. In mijn oren klonk het allemaal ronduit virtuoos, en ik begreep toen niet precies hoe hij het flikte. Hij had echt iets eigens ontwikkeld in deze materie.
Ik heb me niet serieus verdiept in post-seventies ontwikkelingen op dit gebied, maar bij mijn weten heeft geen enkele klassiek geschoolde gitarist in ieder geval toen, ooit iets vergelijkbaars gedaan, de Cubaan Leo Brouwer uitgezonderd natuurlijk. Ik zou dan ook graag iets van deze improvisaties terughoren. (Heeft iemand ergens nog een tape liggen?)

Een hoogtepunt voor Paul zelf was 't moment waarop zijn naam verscheen op een affiche van een Rotterdams jazz-festival, pal onder de naam van zijn grote avantgarde gitaar-afgod Derek Bailey. Dit affiche (het concert in kwestie was vrij succesvol, dacht ik) kreeg een ereplaats in zijn toen net opgerichte 'ego-museum', waar hij met veel humor mee op de proppen kwam. Sommige mensen waren slecht bestand tegen Pauls onhollandse ijdelheid waaraan hij graag uiting gaf. In de vriendenkring rondom Paul was dit vaak een geweldige bron van vermaak, waarin hij, zichzelf bespottend, altijd graag het voortouw nam.

Wat betreft de kennismaking met voor mij in de vroege 70-er jaren onbekende culturele zaken, heeft Paul voor mij een rol van grote betekenis gespeeld. Zo bracht hij mij respectievelijk in aanraking met de oeuvres en werken van o.a.: John Coltrane, Miles Davis, Stockhausen, de late Beethoven, Tourgenjew, Marcel Proust, David Hockney, etc..

Vooral de kennismaking met Marcel Proust is voor mij van meet af aan een openbaring geweest. Hij was en is nog steeds verreweg mijn meest favoriete schrijver. Als beeldend kunstenaar ben ik door deze literaire reus geïnspireerd tot het maken van een serie tekeningen gebaseerd op foto's van de echte personen waaruit Proust zijn romanfiguren, voorkomend in de 'Recherche', samenstelde.

Het aantal keren dat Paul en ik bij tentoonstellingen en concerten te vinden waren moet in de honderden lopen. De termen 'het Rijks', 'het Stedelijk' en 'de Bim' waren householdterms in onze gesprekken (in de loop der tijd was Margo natuurlijk ook heel vaak van de partij). Zo bezocht ik met Paul en een zestal andere vrienden in 1982 de 'Documenta' in Kassel, waar wij meerdere malen los van de groep een aantal tentoonstellingen bezochten. Patrouillerende Amerikaanse troepen die we op de heenweg tegenkwamen en sarrend gedrag van Duitse douanes vormen een speciale herinnering aan die reis.

Van de concerten die we in 'de 70's' bezochten noem ik de volgende namen en genres:
Jazz: Dexter Gordon, Frank Wright & Noah Howard, Muhammad Ali, Ben Webster (toen nog in Paradiso). Oude muziek: Syntagma Musicum (zondagmiddag in het Stedelijk). Klassiek gitaar: Julian Bream, Sergio & Eduardo Abreu (beiden 2 keer), Narciso Yepes en John Williams (allen Kleine zaal) en avant-gardist Carl-Heinz Boettcher (Stedelijk) en verder natuurlijk de gratis repetities van het Concertgebouworkest.

Tevens hielden Paul en ik vanaf 1970 geregeld pop- & jazz-luistersessies (vaak ook afgewisseld met klassiek), meestal bij mij thuis, waar ik in de loop der jaren ook woonde, die vrijwel steevast begonnen met de Beatles of Stones, waarna meestal Françoise Hardy volgde, en we vervolgens na x andere platen net zo steevast eindigden met de LP 'Bird is free' (Charlie Parker live), met 'Laura', 'This time the dream's on me' en met 'Lester leaps in' als hoogtepunten.

Voor het Conservatorium kende ik Pauls naam overigens al, omdat hij en zijn broer peter op dezelfde 'Mulo' zaten als ik, namelijk op de Breitner-mulo, een houten noodschool (inmiddels reeds lang non-existent) die zich bevond in de Watergraafsmeer aan de James Wattstraat.

Paul en Peter zaten bij mijn oudere broer René in de klas, twee klassen hoger dan ik. Met name hun eerste schooldag (zij waren uit Den Haag komen verhuizen) had in de verbeelding van sommige leerlingen een legendarische reputatie verworven, omdat 'de heren' toen 's ochtends met de taxi bij de school gearriveerd waren; eem ongehoorde stunt voor tienerjongens, die de gebroeders Termos terstond in magische echelons deed belanden.

Toen ik eind '74 op een zolderkamer aan de Hobbemakade kwam te wonen, gingen Paul en ik dagelijks tussen de middag baantjes zwemmen in het Zuiderbad, vaak vergezeld van collega gitaarstudent en vriend Rens Voormeij. Na afloop aten we dan vaak gedrieën een razend gezellig 'stokbroodje gezond' bij café De Doffer in de Runstraat, waar Rens Paul en mij, vaak humoristisch maar vaderlijk, toesprak over de onvermijdelijkheid van bikkelharde toonladder- en legatostudies.

Een memorabel moment in die periode was toen Paul op een late ochtend (het zwemmen ging niet door) plots kwam aanzetten met zijn eerste saxofoon die hij zojuist bij Hampe had aangeschaft, waarop hij tot m'n verrassing al behoorlijk professioneel tekeer ging toen hij een korte demonstratie weggaf. Toen ik m'n verbazing verwoordde, zei hij dat het kleppensysteem sterk overeenkwam met dat van de klarinet, en de klarinet bespeelde hij toen al jaren, vandaar! Algemene Muziekleer was ook toen al niet mijn sterkste punt...

Als klarinettist en als saxofonist heeft Paul op meerdere van mijn pop-projecten meegespeeld. Al in '74 speelde hij een klarinet-solo op een van mijn demo's die ik gezamenlijk met Guus en Wim Janssen en een bassist opnam in Studio Oktopus. Deze opname is helaas verloren gegaan door slordige manoeuvres van een platenmaatschappij.
In '85 speelde hij een saxofoon-solo in op een opname van mijn song 'In my life' voor een project voor WEA/Idiot records, toen op mini-LP, single en in '97 ook op CD verkrijgbaar. Geïnteresseerden kunnen eventueel een live-versie met backing tape (inclusief Pauls solo) beluisteren op mijn website www.nilswieland.nl. Click op de rubriek 'nils live 2004'.

In 1986 speelde hij een atmosferische solo op een door mij ge-herarrangeerde versie van Van Morrison's 'Brown eyed girl', die door mijn toenmalige platenmaatschappij werd gezien als een opvolger van 'In my life'. Door een beleidswijziging vond een en ander helaas geen doorgang. Verder speelde Paul in '88 met mijn toenmalige rockband 'Nils Wieland & his Blue Shoe-strings' op een Tai-chi feest in Zeist, dat mede dankzij Paul een succes werd.

Tot slot wil ik benadrukken dat als ik Paul niet had leren kennen, ik een heel belangrijk gedeelte van mijn vriendenkring niet had gekend, aangezien hij de kennismaking met Guus en Wim Janssen entameerde die op zich weer tot talloze andere fantastische vriendschappen heeft geleid. Kortom, Paul heeft een grote en cruciale rol in mijn leven gespeeld en daarvoor zal ik hem altijd erkentelijk blijven.

Dank je wel Paul, en dank je wel lezers voor het lezen van dit verhaal.

Nils Wieland
31 - 12 - 2005

 

Kevin Whitehead
Datum: zaterdag, 14 juni 2003

The day I met paul.

Before I met Paul Termos in September of 1995, I knew him only through his music, mostly the CD "Shakes & Sounds." From this album's assurance, command of instrumental timbres and cool playfulness (especially in "Sam the Sham": "Woolly Bully" with a "Jaws"-theme ostinato), I formed a mental picture of the composer: a slick and socially adept guy, full of self-confidence. (Actually, I now recall, I had seen him perform at the Bimhuis's 1991 October Meeting, but there were so many gigs and I met so many people that week, I didn't retain a visual impression.) Looking back, trying to remember what that mental picture looked like, I keep picturing a wavy-haired man in a sporty jacket, sidling into a room sideways, but even as I type that I wonder if my memory is playing tricks. I finally met Paul on a Tuesday evening in September 1995, just after I moved to Amsterdam. It was at the now-defunct community center P.H. 31 on Prins Hendriklaan, where Eric Boeren's quartet was playing music of Ornette Coleman. (This was the Tuesday improvising series that later relocated to Zaal 100.) The room was small, and there were few people around when I walked in. I asked Eric who was playing that night, and he mentioned Paul, and I looked around for someone who matched the portrait in my head. 'Is he coming soon?' 'You don't know Paul? That's him at the bar..' I introduced myself, and right away of course I saw how wrong I had been. I should mention that this fake Termos I'd invented wasn't someone I was so eager to know. But the actual man I liked immediately, and (this sounds like something one says of folks who are no longer around to contradict such rot, but it's true) there has never been a moment when that affection wavered. There was nothing slick about the real Termos-no sense that here was some smooth guy who knew how to play you, or work the system, to get what he wants. As I've written before, Paul always let you know how to read him: he'd put on the frown for serious thoughts, and that glorious smile where his eyebrows took on the form of an inverted V. We did the first of our interviews about a week later; transcribing it a few weeks later I'd made the notation, "a guy who doesn't mind laughing at himself." I always find that a most endearing quality, which is probably one reason we got along. Also his complete lack of pretension. How could anyone not like the guy? We laughed together a lot that day: I told him how I'd play "Sam the Sham was a Pharoa" for folks and watch their faces light up when they recognized what I was based on. And thanks to his candor I began to see his music from the other side: through the influences he had absorbed and transformed, and all the deliberate hard work. It was the beginning of a friendship I feel very lucky to have experienced. It'll stay with me.


terug naar boven

Toespraken   Herinneringen  CD Presentatie   



Toespraak bij de cd presentatie met werken van Paul




Cd presentatie door Elmer Schönberger, IJsbreker, 6 september 2003.

De cd met werk van Paul Termos die vandaag ten doop wordt gehouden, is een cd met late werken. Of moet je zeggen: met laatste werken? Het opgenomen repertoire dateert namelijk van de laatste paar jaar. Met als enige uitzondering Nieuw Werk, zoals nu uitgerekend het oudste, uit 1976 daterende stuk op de cd heet. Ik heb begrepen dat de pianostukken Ps I en Ps II metterdaad het laatste zijn wat Paul voltooid heeft. Wat hij heeft kunnen voltooien, moet je eigenlijk zeggen, want wie weet van wat voor ongeboren stukken hij nog allemaal gedroomd heeft, toen die rotziekte hem de baas werd.

'Laat' en 'laatst' zijn problematische begrippen als je het hebt over een kunstenaar die maar 51 is geworden. En die van zijn lichaam nauwelijks de tijd heeft gekregen om - als hij dat al gewild had - tot die gemoedstoestand te geraken die de voorwaarde is voor het creëren van late werken. Niet alle laatste werken zijn immers ook late werken. 'Laat' is minder een kwestie van tijd en chronologie dan van geestesgesteldheid - althans van iets uitgesproken onstoffelijks, iets metafysisch zou ik haast zeggen. Heb je het over late Beethoven, late Stravinsky, maar ook over late Mozart, dan heb je het over muziek die niet zozeer oud & wijs is als over muziek die ergens doorheen is gegaan; die iets achter zich heeft gelaten.

Zo beschouwd zijn er op zijn minst twee stukken op deze cd die in mijn oren een - wat ik zou willen noemen - laat-achtig karakter hebben. Niet laat, maar laat-achtig. Ze dateren allebei uit 2001 en zijn dus het werk van een componist die nog een half leven voor zich had. Toch zijn het stukken die de indruk wekken iets losgelaten te hebben, het laatste restje 'zo, en niet zo, zijn onze manieren'. Of misschien is het beter te zeggen: die de indruk wekken iets toegelaten te hebben dat er voordien niet, althans niet in dezelfde mate was: 'mijn manieren zijn ook maar manieren'. Ik geeft toe dat de constatering van dit laat-achtige iets romantisch heeft. Het suggereert toch zoiets als een voorgevoel. En zoals bekend is voorgevoel iets waar wij, hineinhörende luisteraars, achteraf althans, kunstenaars maar al te graag mee opzadelen. Bij voorkeur het voorgevoel van een noodlot dat zich zélf nog van kwaad bewust is. Ze zullen best bestaan, zulke voorgevoelens, maar ze vallen in het niet bij onze projecties.

Van fatale voorgevoelens is in Kwarts en E dominio - want om die stukken gaat het - wat mij betreft dan ook geen sprake, eerder van het tegendeel: het voorgevoel van een nieuwe, vitale maar helaas embryonaal gebleven fase in Pauls muziek. Het voorgevoel van wat ik voor het gemak nu maar een nieuwe poëzie noem. Niet 'nieuw' ter vervanging maar juist ter verheviging van wat Termos tot Termos maakte. Van zijn poëzie dus, dat wil zeggen, de wijze waarop hij (zoals ik het wel eens genoemd heb) zichzelf al redenerend in tonen stapje voor stapje uitvond - zichzelf en niets dan zichzelf.

En nog steeds uitvindt.

Want dat is het mooie van muziek. Die vindt zichzelf steeds opnieuw uit, in elke compositie opnieuw: van de allereerste noot die een oneindig verschiet van mogelijke composities opent, tot de allerlaatste noot die, als het goed is, dat ene met geen andere te verwisselen stuk afsluit, en die maakt dat we weten met wie we te doen hebben gehad: met een achttiende-eeuwer, met een serialist, met een postmodernist, of - en hier eindigt de muziekgeschiedenis en begint de kunst - met die ene kunstenaar die voor van alles staat - een stroming, een techniek, een land, een tijd en ga zo maar door - maar in de eerste en laatste plaats voor zichzelf. Met Paul Termos bij voorbeeld: in het betoverende E dominio, voor electrische gitaar, slaapwandelend in de eenzaamste contreien van het luisterend bewustzijn; in het magistrale Kwarts, met Beethoveniaanse vastberadendheid recht op zijn doel afstevenend en daarbij goddank, want men is een Termos of men is het niet, een enkele om- en zijweg niet schuwend.

Luistert u naar Kwarts.
(Elmer Schönberger, Amsterdam 2.9.03)


terug naar boven